| De toekomstvisie 2006 - 2010 |
|
1. Het dorp is de basisHet verhaal over de toekomst van de LVKK begint in de dorpen. Daar wonen mensen die hun eigen leefomgeving ter hand willen nemen. Zij verenigen zich in dorpsorganisaties. Soms is dit een dorpsvereniging, soms een wat losser verband van een belangen- of actiegroep, soms is het een al dan niet door de gemeente ingestelde dorpsraad. Al deze dorpsorganisaties hebben met elkaar gemeen, dat zij letterlijk van en voor de dorpsbewoners zijn. In deze organisaties zijn het de bewoners zelf die de dienst uitmaken en die activiteiten ontplooien. Zij komen op voor de belangen van het dorp, ze organiseren zeer uiteenlopende activiteiten voor de bewoners, en nemen initiatieven om het leven in het dorp aangenamer te maken. De dorpsorganisaties vervullen een onmisbare schakel tussen inwoners (van het dorp) en bestuur (van gemeente, provincie en verder wegliggende overheden, maar ook van maatschappelijke dienstverleners zoals woningcorporaties en zorginstellingen, en van commerciële partijen zoals banken en winkeliers). Zij zijn spreekbuis van het dorp, en daarin onafhankelijk, dat wil zeggen los van commerciële belangen en niet gebonden aan een geloofsrichting of politieke stroming. De dorpsorganisaties spelen een belangrijke rol in het dorpsleven. Veel dorpsverenigingen organiseren allerlei activiteiten voor bewoners, variërend van het binnenhalen van Sinterklaas tot het opstellen van een dorpsvisie. Ze zijn daarmee de smeerolie van het dorp. Ga naar een dorpsfeest en je voelt de gemeenschapszin. Als er wat aan de hand is, dan weet het halve dorp daarvan. De dorpsorganisaties zijn het sociale goud van onze samenleving. Dorpsorganisaties leveren zo een belangrijke bijdrage aan de leefbaarheid van het eigen dorp. De conclusie is dan ook, dat initiatieven om de leefbaarheid te behouden of verbeteren alleen zullen slagen als de inwoners er vanaf het begin bij betrokken zijn. Zonder een organisatie die in de breedte kan verwoorden wat er onder de inwoners leeft, is dit praktisch ondoenlijk. Dus: 'Leefbaarheid verbeteren zonder dorpsorganisatie?: vergeet het maar'. Het is de ambitie van de Landelijke Vereniging voor Kleine Kernen om te bevorderen dat de dorpsorganisaties zich in de komende jaren verder ontwikkelen. Zodat er door het hele land vitale organisaties bestaan, van en voor burgers, die op een moderne manier in hun dorp hun verantwoordelijkheid nemen en zo burgerschap in de praktijk brengen. In deze notitie geeft de LVKK aan hoe ze deze ambitie wil realiseren. Daarbij geeft ze haar visie op haar taak en rol in de komende jaren. 2. Geschiedenis van de LVKKDe LVKK bestond dit voorjaar 30 jaar. Ze heeft zich in haar bestaan met vallen en opstaan - en vooral met hard werken door de bestuursleden en medewerkers - ontwikkeld tot wat ze nu is: een op zich kleine organisatie, die gezien en erkend wordt door de belangrijkste instanties die zich met de leefbaarheid van de platteland bezig houden. In de loop der tijd zijn in nagenoeg alle provincies verenigingen voor kleine kernen ontstaan, dit jaar nog in Zuid-Holland en Utrecht. Bij deze verenigingen zijn de dorpsorganisaties in de provincie aangesloten. Alleen in Noord-Holland bestaat nog geen provinciale vereniging. De oprichting ervan is één van de prioriteiten voor de komende tijd De LVKK is opgericht in maart 1975, met de doelstelling om in de ruimste zin de belangen van de Nederlandse kleine kernen te behartigen, teneinde de leefbaarheid van de dorpen te behouden en zo mogelijk te verbeteren. Globaal zijn er in de geschiedenis van de LVKK tot nu toe vier perioden te onderscheiden: 1975 - 1986 In het eerste decennium van haar bestaan is de vereniging volledig gebaseerd op vrijwilligerswerk. Het waren toen bestuurders die de kar van de vereniging trokken. 1986 - 1992 Sinds 1986 is aan de vereniging gedurende een aantal jaren structureel subsidie toegekend, van een substantiële omvang. Het bestuur kon hierdoor ondersteuning krijgen van een stafmedewerker en een secretariaat. 1992 - 2000 In 1992 werd de subsidie stopgezet. De stafmedewerker moest ontslagen worden en het secretariaat werd in zwaar afgeslankte vorm voortgezet. De rest van de jaren 90 was een periode waarin de LVKK sterk defensief optrad in de strijd tegen de terugloop van voorzieningen. Achteraf kan men vaststellen dat de LVKK toen nauwelijks een structureel beleid voerde en hoofdzakelijk achter de feiten aanliep. 2000 - 2005 Rond de eeuwwisseling werden in samenwerking met de wetenschapswinkel van Wageningen UR twee belangrijke rapporten geproduceerd over de volgende vragen: A. Zijn er anno 2000 nog relevante leefbaarheidsthema's op het platteland? B. In welke organisatiestructuur zijn deze het best te realiseren? Op grond van de conclusies uit deze rapporten is het project 'Netwerk Dorpsorganisatie in Nederland 2002 - 2006' geformuleerd en door de Ministeries van VWS en LNV gesubsidieerd. Dit vormt de aanloop naar een bloeiperiode in de geschiedenis van de LVKK, waarin de vereniging zich ontwikkeld heeft tot een belangrijke speler als het gaat om plattelandsontwikkeling. De LVKK is wat dit betreft op landelijk niveau actief, en sinds de laatste jaren ook buiten de landsgrenzen, in het kader van de Europese eenwording. 2005:
Plattelandsparlement In mei 2004 heeft de LVKK deelgenomen aan de 'Folkrörelserådet' in Zweden. Zevenhonderd Zweden en vijftig deelnemers uit Europese lidstaten kwamen toen drie dagen bijeen in de vorm van een plattelandsparlement. Hierdoor geïnspireerd is de LVKK samen met het Nationale Netwerk Plattelandsontwikkeling ook in Nederland een Plattelandsparlement gaan organiseren. De inspiratie werd nog versterkt door bezoeken aan Hongarije en Estland, waar men ook ervaring had met dergelijke manifestaties. Welnu, anderhalf jaar hard werken heeft geresulteerd in het eerste PlattelandsParlement op zaterdag 8 oktober 2005 in het Gelderse Voorthuizen. Driehonderdvijftig meedenkende burgers uit alle delen van Nederland hebben er een dag lang gewerkt en gedebatteerd met vijftien kamerleden. Daar blijkt dat men elkaars taal spreekt. Vrijwilligers uit de dorpen hebben er laten zien waartoe ze in staat zijn. Dit is de kern van een Vitaal Platteland. Het is de start van een proces, waarin parlementariërs en burgers elkaar op gezette tijden ontmoeten in een rechtstreeks gesprek. Waar beide partijen ook verantwoording afleggen van hetgeen ze hebben toegezegd 3. Wat speelt er in de dorpen / op het plattelandIn beginsel hebben alle maatschappelijke ontwikkelingen ook hun weerslag in de dorpen. Alleen door de schaal van de dorpen hebben de ontwikkelingen er een eigen karakter. Voorzieningen. In dorpen ontstaan de laatste jaren allerlei initiatieven om voorzieningen te realiseren die passen bij de schaal van het dorp. Zo worden voorzieningen levensvatbaar gemaakt door ze te combineren: van kulturhus tot servicewinkel. Veel dorpen hebben een eigen dorpshuis. Deze spelen een erg belangrijke rol, omdat ze onderdak bieden aan allerlei initiatieven en activiteiten. Ze vormen de spil van het sociale leven in een kleine kern. Op veel plaatsen worden dorpshuizen vernieuwd en opgeknapt. Verschillende provincies ondersteunen dit met een financiële bijdrage. En ook zijn er dorpsorganisaties die zich realiseren, dat schaalvergroting door de economische ontwikkeling op zich niet te keren is, maar dat dorpsbewoners wel door hun koopgedrag de kansen van een dorpswinkel kunnen vergroten. Zorg en welzijn, onderwijs, cultuur. Op deze gebieden vinden allerlei maatschappelijke vernieuwingen plaats: in zorg en welzijn door de komst van de WMO, in het onderwijs onder meer door de brede school, op het gebied van cultuur bijvoorbeeld in de bibliotheekvernieuwing. Verschillende dorpsorganisaties dragen bij aan vernieuwingen op deze gebieden. Want ze hebben er belang bij. Zo is goed bereikbaar basisonderwijs van groot belang voor het behoud van jongeren in het dorp, en dus voor een vitale dorpssamenleving in de toekomst. Huisvesting; combineren van wonen en zorg. De mogelijkheden om in een dorp te gaan wonen zijn vaak erg beperkt, juist voor mensen uit het dorp zelf: jongeren die zelfstandig willen gaan wonen, of ouderen die een op hun leefsituatie of eventuele zorgbehoefte aangepaste woning willen. Dorpen vergrijzen, jongeren trekken weg door het gebrek aan betaalbare starterswoningen. Op verschillende plaatsen worden hiervoor creatieve oplossingen gezocht. Dorpsorganisaties spelen hierbij een actieve rol. Ze dragen er toe bij om woningen te realiseren voor jongeren en/of ouderen die nu vaak geen passende huisvesting in dorpen kunnen vinden. Dankzij hun betrokkenheid wordt ervoor gezorgd dat de woningen daadwerkelijk bij de doelgroep passen.
Economie en werkgelegenheid. De werkgelegenheid in de landbouw en aanverwante sectoren neemt al langere tijd af. Werkgelegenheid in andere sectoren, waaronder het midden- en kleinbedrijf, trekt van de kleinere kernen naar grotere centrumkernen. Waar mogelijk helpen dorpsorganisaties om werkgelegenheid in en om het dorp te houden, bijvoorbeeld door het ondernemers mogelijk te maken andere kleinschalige economische activiteiten te ontwikkelen (zoals ouderenzorg of kinderopvang op een boerderij). Een ander voorbeeld zijn de dorpsorganisaties die wandelroutes onderhouden en zo het dorp aantrekkelijker maken voor toeristen. Doordat boeren stoppen met hun bedrijf komen op verschillende plaatsen agrarische gebouwen leeg te staat. Deze gebouwen bieden kansen voor zeer uiteenlopende andere activiteiten die ten goede komen aan de plaatselijke leefbaarheid en de plaatselijke economie. De rol van deze gebouwen kan erg belangrijk zijn. Vaak blijkt echter de regelgeving een nuttige ontwikkeling van vrijkomende agrarische gebouwen in de weg te staan. Decentralisering van beleid en geldstromenDe
landelijke overheid trekt zich steeds meer terug. Het zwaartepunt in de
beleidsvorming en Decentralisering biedt ongetwijfeld kansen aan plaatselijke organisaties. Initiatiefrijke en creatieve dorpsorganisaties kunnen zo nieuwe mogelijkheden krijgen om hun doelen te realiseren. Dit vraagt wel om voldoende regie in de gedecentraliseerde geldstromen, zodat de vrijwilligersorganisaties in de dorpen (en ook op provinciaal en landelijk niveau) voldoende ondersteuning krijgen. Vitaal platteland. De laatste jaren heeft de overheid in haar beleid meer aandacht voor de leefbaarheid van het platteland. Dit komt onder meer naar voren in de Agenda Vitaal Platteland. Verbetering van de leefbaarheid is echter niet vorm te geven zonder betrokkenheid van de bewoners. Dorpsorganisaties spelen daarom een belangrijke rol. Dit blijkt ook uit de definitie van leefbaarheid: Leefbaarheid van het platteland is de mate waarin de sociale en fysieke leefomgeving aan de normen en waarden van de bewoners en/of gebruikers van de kleine kernen en het landelijke gebied voldoen. Leefbaarheid is dus datgene wat bewoners (van een dorp, wijk of streek) als leefbaar ervaren. Identiteit van het dorp, de streek, de regio. In dorpsorganisaties wordt hier steeds vaker over nagedacht: 'Wat willen we zijn. Hoe willen we met elkaar samenleven. Hoe moet dat als we oud zijn en zorg nodig hebben. Waar moeten onze kinderen wonen. Wat vinden wij belangrijk. Waar hechten wij waarde aan. Wat willen we houden. Wat is daar voor nodig en wat moeten we dan doen.' Door deze vragen te beantwoorden wordt op een moderne manier inhoud gegeven aan het eigene van dorp of streek. Deze ontwikkelingen bieden met name kansen aan open en initiatiefrijke dorpsorganisaties. Organisaties die hun eigen verantwoordelijkheid kennen en van daaruit handelen, die daadwerkelijk door en voor de dorpsbewoners bestaan, en die het vermogen hebben om met de gemeente en andere instanties samen te werken en zo resultaten te boeken. 4. Ambitie van de LVKKVoor de komende jaren heeft de LVKK de volgende ambitie: a. De LVKK zal stimuleren dat er door heel Nederland vitale dorpsorganisaties bestaan en ontstaan, die op een moderne manier burgerschap in de praktijk brengen.
Moderne dorpsorganisaties hebben de volgende kernmerken: Í De dorpsorganisatie van de toekomst is voor de dorpsbewoners erg open en makkelijk toegankelijk. Iedereen die wil kan meedoen. Activiteiten hebben een erg lage drempel. Bestuursleden zijn makkelijk aan te spreken. En iemand die zelf actief wil worden is van harte welkom in een bestuur of werkgroep. Î Voor gemeentelijke politici en beleidsmakers zijn de moderne dorpsorganisaties goede gesprekspartners, die verwoorden wat er leeft onder de inwoners. Zo ontstaat er een wisselwerking tussen bewoners en gemeente en kan de gemeente beleid maken dat bij het dorp past. Een goed functionerende dorpsorganisatie behoedt de politici om in de - tegenwoordig veel besproken - kloof tussen politiek en burgerij te vallen. Ð Aan uiteenlopende dienstverleners geven moderne dorpsorganisaties signalen over de wensen en behoeften die leven in het dorp. De dienstverleners stemmen hun aanbod hier zo goed mogelijk op af. Dorpsorganisaties zijn belangrijke samenwerkingspartner bij het vestigen van voorzieningen op maat, of dat nu een kleinschalig dienstencentrum is, een winkelier die ook bank- en andere loketdiensten verzorgt, of een nieuwe gecombineerde bus- en taxiregeling. Dankzij de inzet van de dorpsorganisatie blijft 'maatwerk' geen loze kreet, maar wordt er werkelijk op de juiste maat gewerkt. Ï De dorpsorganisatie van de toekomst neemt bovenal zelf initiatieven die de leefbaarheid van het dorp ten goede komen, zoals het initiatief om een fietspad langs een drukke weg aan te leggen, om het dorpshuis een opknapbeurt te geven, of om een geheel nieuw multifunctioneel centrum in het dorp te stichten. Ze functioneren daarbij als gangmaker, en nemen soms ook de rol van projectpartner of projectleider op zich. Een andere keer zijn ze uitvoerder, waarbij inwoners zelf de handen uit de mouwen steken om te klussen, verven, bomen te planten, ... Zij zullen daarbij taken uitvoeren die nu bij de gemeente liggen, zoals het beheer en onderhoud van de openbare ruimte. De moderne dorpsorganisatie onderkent de verantwoordelijkheden die dit met zich mee brengt, en weet ook welke verantwoordelijkheden ze niet op zich kan of wil nemen, en die ze dus bij de gemeentelijke overheid (of eventuele andere partijen) wil laten. b. De LVKK gaat zelf opnieuw invulling geven aan het begrip ‘burgerschap'.
Nieuw burgerschap vraagt om nieuwe verhoudingen tussen lokale overheden (en semi-publieke instanties, zoals woningcorporaties) en bewonersorganisaties. Zo kunnen bewonersorganisaties taken op zich nemen die tot nu toe door een gemeente uitgevoerd worden. Dit vraagt het nodige van de dorpsorganisaties, in termen van houding en competenties. In een aantal dorpen wordt al ervaring opgedaan met het werken onder vergelijkbare nieuwe verhoudingen. Deze ervaringen zullen de komende jaren toenemen, zeker als het aan de LVKK ligt. De LVKK zal deze ervaringen systematisch verzamelen en analyseren, en verwerken tot nieuwe methoden om dorpsorganisaties te ondersteunen en adviseren. Zo ontstaat de komende jaren een kennisbank voor ‘nieuw burgerschap'. c. De LVKK gaat zelf rond thema's dossiers opbouwen.
De LVKK zal haar deskundigheid en positie (en daarmee van haar leden, de provinciale verenigingen van kleine kernen) versterken, door rond een aantal thema's dossiers op te bouwen. De dossiers worden beheerd door een groep van ter zake kundige kaderleden uit de lidorganisaties, aangevuld met een beroepskracht en een landelijk bestuurslid. Deze groep onderneemt allerlei activiteiten om deskundigheid verder te ontwikkelen en een positie op te bouwen als serieuze gesprekspartner voor de relevante instanties. Ze doet onderzoek, binnen de wereld van de dorpsorganisaties en daarbuiten. Ze stimuleert de ontwikkeling van goede praktijkvoorbeelden, spoort belemmeringen op in beleid of wetgeving en doet voorstellen om deze aan te pakken. Zonder het hier vast te leggen zijn mogelijke thema's: 'wonen in dorpen voor jongeren en/of ouderen', 'bereikbaarheid van het platteland', 'stimuleren van de plattelandseconomie'.
d. De LVKK zal meer ondersteuning bieden aan haar lidorganisaties en de communicatie met de lidorganisaties versterken. De provinciale verenigingen van kleine kernen zijn de leden van de LVKK. De dorpsorganisaties zijn lid van een provinciale vereniging en via deze bij de LVKK aangesloten. De provinciale verenigingen spelen een sleutelrol in de ondersteuning en ontwikkeling van moderne en vitale dorpsorganisaties. Tegelijkertijd hebben zij een eigen belangenbehartigende taak, die zal toenemen naar mate rijksbeleid naar provincies gedecentraliseerd wordt. Ze zijn onafhankelijk. De LVKK zal haar lidorganisaties consequent betrekken bij alle initiatieven om modern burgerschap te ontwikkelen. Ze zal bovendien de provinciale verenigingen ondersteunen in hun werk. En ze zal op alle mogelijke manieren de communicatie en de samenhang tussen de provinciale organisaties en de landelijke vereniging versterken. e. De LVKK verzorgt namens de lidorganisaties een goede belangenbehartiging op landelijk (en Europees) niveau. De belangenbehartiging van de kleine kernen in Nederland, met inbegrip van de bewoners in het buitengebied, is van oudsher de kerntaak van de LVKK. Ze heeft de afgelopen jaren een positie opgebouwd als gesprekspartner voor overheden en instanties op landelijk niveau, rond zaken die de leefbaarheid van dorpen betreffen. Ook in Europees verband is de LVKK als belangenorganisatie actief. De LVKK zal de belangenbehartiging op landelijk en waar nodig Europees niveau blijven verzorgen. De kwaliteit en intensiteit van de belangenbehartiging zal minstens gelijk blijven, ook nu de LVKK haar blik meer op de dorpsorganisaties en de provinciale verenigingen richt.
f. De LVKK blijft een belangrijke bijdrage leveren aan het PlattelandsParlement en de verdere ontwikkeling ervan. Het PlattelandsParlement zal een belangrijke rol spelen in de belangenbehartigende taak van de LVKK. Het past bij het onafhankelijke en daarmee unieke karakter van de LVKK, dat ze ook in de toekomst een leidende rol in de organisatie van het PlattelandsParlement vervult. Bovendien zal de LVKK bevorderen dat er op regionale schaal ook plattelandsparlementen georganiseerd worden. Voor de organisatie van het eerste PlattelandsParlement is een beroep gedaan op eigen vermogen, verscheidene fondsen en LEADER+ Gelderland. Voor de vervolgactiviteiten wordt van verschillende maatschappelijke instanties een financiële bijdrage gevraagd. Hierbij zal ook een beroep gedaan worden op middelen van het rijk.
g. De LVKK positioneert zich onafhankelijk en zoekt consequent naar samenwerking
De LVKK is bij uitstek de woordvoerder van de dorpen in Nederland. Ze is volstrekt onafhankelijk, alleen verbonden met de dorpsorganisaties, en heeft daarmee een uniek profiel in het veld van instanties en organisaties die zich in Nederland met het platteland bemoeien. De LVKK zorgt ervoor dit profiel te behouden. De LVKK realiseert zich dat behoud en verbetering van de leefbaarheid in dorpen en op het platteland alleen gerealiseerd zal worden in samenwerking met de bewoners en met andere partijen die er een rol spelen. De LVKK zoekt daarbij actief naar allerlei mogelijkheden van samenwerking, die bijdraagt om haar doelstelling te verwezenlijken. Slotopmerking bij deze paragraaf: De verenigingen van kleine kernen nemen in de Nederlandse samenleving een unieke plaats in. In deze verenigingen organiseren bewoners zich om in de breedte en op integrale wijze hun belangen te behartigen. Dankzij het bestaan van provinciale verenigingen en een landelijke vereniging, gebeurt dit op alle niveaus: lokaal, regionaal en nationaal. Het feit dat dit op nationale schaal op een georganiseerde wijze gebeurt, waarbij de eigenheid van elk dorp herkenbaar blijft, is voor Nederland uniek. Dit feit schept unieke kansen om via het netwerk van de dorpsorganisaties en hun provinciale en landelijke koepels nieuwe vormen voor modern burgerschap te ontwikkelen. 5. De verhoudingen tussen de plaatselijke, provinciale en landelijke organisatiesDorpsorganisaties kunnen veel zelf. Zij zijn bij uitstek degenen die de betrokkenheid van dorpsbewoners kunnen mobiliseren. Ze doen in hoge mate zelf hun zaken: overleggen en onderhandelen met de gemeente, organiseren activiteiten, nemen initiatieven en ontwikkelen projecten die de leefbaarheid ten goede komen. Maar in veel van deze zaken zitten aspecten die het niveau van het eigen dorp of zelfs de eigen gemeente overstijgen. Gemeenten zijn gebonden aan provinciale, nationale en soms ook Europese regels. Hetzelfde geldt voor woningcorporaties, zorginstellingen en andere dienstverleners. Veel van deze partijen zijn bovendien zelf op een bovengemeentelijk niveau georganiseerd. Dorpsorganisaties moeten dus buiten de grenzen van de eigen gemeente opereren om succesvol te zijn. Dorpen hebben daarbij ondersteuning nodig en wanneer zij samenwerken met andere dorpsorganisaties in provinciale en een landelijke belangenorganisatie staan ze bovendien sterker. Dit is jaren lang de belangrijkste bestaansreden van de provinciale verenigingen van kleine kernen en de landelijk vereniging voor kleine kernen. Zij behartigen - in de breedste zin van het woord - de belangen van de dorpen in de eigen provincie respectievelijk op landelijk niveau. Zij doen dit door:
De autonomie van de dorpsorganisaties, en ook van de provinciale verenigingen, vormt de grondslag van verhoudingen tussen de plaatselijke, provinciale en landelijke organisaties. Dit heeft consequenties voor de organisatieprincipes waaraan de LVKK zich heeft te houden: Í
Werken vanuit de basis: Î
Consequente communicatie met lidorganisaties
6. De organisatie van de LVKKOm deze visie met ambitie waar te maken, is versterking van de LVKK nodig. Het gaat om de volgende aspecten:
7. Verdere uitwerking: naar een meerjarenplan, communicatieplan en jaarlijks werkplanDeze visie is hier alleen in kwalitatieve termen beschreven. Om planmatig en controleerbaar te werk te gaan zal de LVKK deze visie in een meerjarenplan uitwerken, waarin ook kwantitatieve doelen genoemd worden. Dit sluit goed aan bij de huidige praktijk in de LVKK. Omdat communicatie centraal staat in het werk van de LVKK is, zal een communicatieplan gemaakt worden, dat op gezette tijden bijgesteld wordt. Dit plan beschrijft op welke doelgroepen de LVKK zich richt, welke doelen ze daarbij wil behalen, met welke boodschap, en met welke middelen. Jaarlijks wordt een werkplan gemaakt, waarin de concrete doelstellingen voor het betreffende jaar genoemd worden, met de voorgenomen activiteiten, de in te zetten middelen, een duidelijke prioriteitstelling en een taakverdeling tussen bestuursleden, overige kaderleden en medewerkers. 17 oktober 2005 |